Veel feedback die docenten geven bereikt leerlingen niet echt. Het voelt abstract of onderminend. Hier is hoe je feedback geeft die werkelijk helpt en motiveert.
Feedback is een van de krachtigste tools in het onderwijs. Maar slechte feedback kan meer schade aanrichten dan geen feedback. De manier waarop je feedback geeft, bepaalt of een leerling er iets mee doet.
"Goed gedaan!" zegt niets. "Dit moet beter" zegt ook niets. Feedback die niet specifiek is, geeft de leerling geen richting. En feedback die te laat komt, is niet meer bruikbaar.
Specifiek: "Je conclusie sluit niet aan bij je inleiding" is beter dan "de structuur klopt niet."
Tijdig: feedback direct na een taak is krachtiger dan feedback een week later.
Actionable: de leerling moet iets kunnen doen met de feedback. "Probeer je conclusie te herschrijven met als focus wat je in de inleiding beloofde" geeft richting.
Op de taak, niet de persoon: "Dit werk mist een duidelijke conclusie" is beter dan "jij bent onduidelijk." Feedback over het werk, niet over wie iemand is.
Er is veel discussie over de 'sandwich'-methode (positief-negatief-positief). Sommige docenten vinden het krachtig, andere vinden het nep. Wat wél werkt: begin met wat goed is, en koppel dan de suggestie voor verbetering. Zo weet de leerling wat behouden moet worden én wat kan groeien.
Vraag leerlingen zichzelf te beoordelen voordat jij feedback geeft. "Wat vind je zelf het sterkste deel van dit werk? Wat zou je anders doen?" Dit activeert reflectie en maakt jouw feedback krachtiger omdat de leerling er al over nagedacht heeft.
Mondelinge feedback is vaak krachtiger dan schriftelijke. Je kunt direct reageren op verwarring. Maar schriftelijke feedback heeft het voordeel van herleesbaar zijn. Combineer waar mogelijk.
Goede feedback is geen oordeel het is een gesprek over groei.