Dit is lastig omdat 'werkt' veel betekent. Bepaal je criterium, verzamel gegevens, analyseer en pas aan. Goed onderwijs is voortdurende evaluatie hier is hoe.
"Werkt mijn methode?" is een goede vraag. Maar het is pas een bruikbare vraag als je weet wat "werken" voor jou betekent.
Voor de ene docent betekent "werkt" dat leerlingen hogere toetsscores halen. Voor een andere betekent het dat leerlingen gemotiveerder zijn. Voor een derde dat er minder conflicten zijn in de klas. Geen van deze definities is fout maar je kunt ze niet allemaal tegelijk meten.
Kies één of twee criteria en maak ze zo concreet mogelijk.
Als je wil weten of je methode iets verandert, meet dan vóór én ná. Zonder een beginmeting weet je niet of een verandering door jouw methode komt of door andere factoren.
Kwantitatief: toetsresultaten, aanwezigheid, gedragsincidenten. Harde cijfers, makkelijk te vergelijken.
Kwalitatief: observaties, gesprekken met leerlingen, reflecties. Zachter, maar rijker aan betekenis. Vraag leerlingen hoe ze de lessen ervaren. Dat vertelt je dingen die toetsen nooit zullen vertellen.
Vraag een collega om een les bij te wonen en te observeren. Vier ogen zien meer dan twee. Een frisse blik vangt dingen die jij niet meer ziet omdat je er te dicht op zit.
Het is verleidelijk om succesverhalen te zien en falen te negeren. Maar het omgekeerde is ook waar: soms zien docenten alleen wat mis gaat. Probeer zo objectief mogelijk te kijken en vraag hulp als dat moeilijk is.
Meten is niet het doel; bijstellen is het doel. Als de data zegt dat iets niet werkt, pas het dan aan. En meet opnieuw. Goed onderwijs is een cyclus van actie, reflectie en verbetering nooit af, altijd groeiend.